Joodse filosofische stromen

Ongeveer 65x gebruikt Johannes de aanduiding ‘Joden’ in zijn Evangelie zonder deze groep nader te specificeren. Ze worden voorgesteld als één groep onder strikte autoriteit van hun leiders in Jeruzalem. Ze hebben volgens Johannes duidelijk herkenbare eigenschappen gemeen: ze zijn toegewijd aan het lezen van de Schrift omdat ze daarin menen eeuwig leven te kunnen vinden (Joh. 5:39), ze zijn volgelingen van Mozes en de Wet (Joh. 1:17, 9:28) en hun religieuze en sociale leven is niet allen gecentreerd rond de tempel maar ook in en rond de synagoge (Joh. 9:22, 16:2).[1] Terecht merkt van der Watt op, dat niet alle verschillende stromingen binnen het Jodendom van Jezus’ dagen voldoen aan deze kenmerken.[2] De uitdaging is dan ook om te achterhalen welke religieuze stroming het beste past bij de omschrijving die Johannes van hen doet in zijn Evangelie.

De chasīdīm

Tijdens het leven van Jezus waren er 3 religieuze groepen actief die zichzelf zagen als de wettige voortzetters van het Joodse gedachtegoed: de Sadduceeën, de Farizeeën en de Essenen. Flavius Josephus noemt deze groepen voor het eerst tijdens het hogepriesterschap van Jonathan Makkabeüs (152–142 v. Chr.).

Hun gemeenschappelijke wortels zijn te vinden in de chasīdīm, de wetsgetrouwen, die in de eerste helft van de 2e eeuw v.Chr. het Jodendom wilde verdedigen tegen het met geweld opgedrongen hellenisme door de syrische koning Antiochus IV Epifanes. In het eerste boek der Makkabeeën komt de naam chasīdīm voor het eerst voor. Deze vromen zetten zich in voor een handhaving van de Tora in het openbare leven en huldigden een apocalyptische wereldbeschouwing. In 166 v.Chr. kwamen de chasīdīm onder leiding van de familie der Hasmoneeën in opstand tegen de Syriërs. Aanvankelijk streefden Hasmoneeën en chasīdīm zelfde doelen na, maar na hun overwinning op de Syriërs in 164 v.Chr. zetten de eersten hun strijd door om politieke autonomie te verkrijgen. Dat zorgde voor verwijdering met de chasīdīm die de opstand alleen gesteund hadden om het voortbestaan van de Joodse godsdienst te kunnen garanderen. Het kwam tot een definitieve breuk tussen de chasīdīm en de Hasmoneeën, toen de hasmoneese leider Jonathan Maccabeus in 152 v.Chr. zichzelf als hogepriester liet inwijden.[3] De chasīdīm keurden de combinatie van koningschap en hogepriesterschap in één persoon af zoals dat voorkwam onder de Hasmoneese heerschappij. Volgens de Schrift zijn de koning en de hogepriester uit andere stammen afkomstig en deze ambten kunnen dus nooit in één persoon verenigd worden. Bovendien stamden de Hasmoneese koning-hogepriesters niet uit het geslacht van Aäron/Sadok.

Het is in de tijd van Johannes Hyrkanus (134 v.Chr. tot 104 v.Chr.) dat de uit de chasīdīm ontstane patijen van Farizeeën, Essenen en Sadduceeën sterk aan invloed winnen en een factor van betekenis worden.[4]

De Sadduceeërs, behorend tot de priesterklasse en de hogere stand, onderhielden in tegenstelling tot de andere twee partijen wel nauwe banden met het Hasmoneese koningshuis. Ook in de periode van de Herodianen onderhielden zij nauwe banden met de heersers over het Joodse land. Vrijwel alle hogepriesters uit deze periode waren afkomstig uit de belangrijkste families binnen de Sadduceeën.[5]

De Zeloten, vaak gepresenteerd als een vierde stroming binnen het Jodendom van Jezus’ dagen, komen wat later op het toneel van Israëls geschiedenis. Zij worden vooral gezien als een soort verzetsstrijders. De verschillende stromingen komen hieronder één voor één voor het voetlicht.

Farizeeën

Een kleine 20x heeft Johannes het over de Farizeeën. Dat zou er op kunnen duiden, dat deze stroming in Johannes’ algemene typering van ‘de Joden’ een belangrijke rol speelt. Volgens Flavius Josephus waren er ten tijde van Herodus zo’n 6000 Farizeeën, waaronder de Schriftgeleerden. Na de val van Jeruzalem in 70 na Chr. zijn het de farizeeën die het joodse geloof hebben bewaard. Het woord ‘farizeeën’ is afgeleid van het Hebreeuwse ‘perush’, dat ‘afscheiden’ of ‘verklaren’ kan betekenen. Deze naam slaat dus op hun afgescheiden zijn van de rest van het volk, of op hun studie van de wet.[6] Farizeeërs voelden zich in elk geval verheven boven ‘het volk, dat de Wet niet kent’ en ze vermeden dan ook zoveel mogelijk het contact met ‘het volk van het land’ (‘am ha’ares). De enige norm waarmee zij anderen beoordeelden, was het onderhouden en de kennis van de Wet volgens hun beginselen en het deel uitmaken van de uitverkoren kaste der ‘afgezonderden’.[7]

Schriftgeleerden

Tijdens de ballingschap moesten de Joden hun godsdienstig leven noodgedwongen zonder de tempeldienst stellen. Velen gaven zich over aan bestudering van de Tora (en eventuele geschriften), de enige geestelijke erfenis die hun nog over was. Mannen die zich compleet wijdden aan de bestudering, het kopiëren (de soferim) en uitleggen van de Wet werden met de eretitel ‘Rabbi’ aangesproken. Het deuterocanonieke boek Jezus Sirach bejubelt in hoofdstukken 38 en 39 deze Schriftgeleerden om hun kennis en inzicht. Nog voordat er sprake was van stromingen als de Sadduceeën en Farizeeën ontstond er zo al een scheiding tussen de priesterklasse en de Schriftgeleerde als geestelijke leider van het volk. Naarmate het priesterschap zich vereenzelvigde met de Sadducese richting, werd het Wetsgezinde lekendom steeds meer Farizees. En waar de priesters hun werk beperkte tot de eredienst van de tempel en de politiek, namen de Schriftgeleerden in de synagogen een steeds grote plaats in als leraars van het volk.[8]

Elke leek kon Schriftgeleerde worden, maar de studie daarvoor was lang en zwaar. Men richtte zich in de eerste plaats op kennis van de uitspraken die overgeleverd waren en daarna op de uitbreiding van haar toepassing.[9] De inhoud van de Misjna (2e eeuw n. Chr., later uitgewerkt in de Talmoed) bestaat grotendeels uit een verzameling van zulke mondeling overgeleverd onderwijs.

Hoewel de Farizeeën zich vooral ophielden in Jeruzalem hadden zij veel invloed op de Schriftgeleerden die elders in de synagogen van het land spraken. Zij zijn het die de Farizeeën in Jeruzalem attenderen op de nieuwe leer van Jezus (Markus 3:22, 7:1).[10] Gezien de verwevenheid tussen de Farizeeën en Schriftgeleerden is het niet verwonderlijk dat deze twee groepen, hoewel ze in theorie niet gelijk hoefden te vallen, in de Evangeliën wel vaak in één adem genoemd worden.

Leven volgens de Wet

De Schriftgeleerden hadden een traditie ontwikkeld, een interpretatie van de wet, een systeem van regels dat in staat stelde om volgens de wet te leven (613 regels: 248 geboden en 365 verboden). Hun ideaal was om in het dagelijks leven in dezelfde staat van reinheid te leven als voor de priesters van de tempel was voorgeschreven.[11] Hun leven stond in het teken van het nauwgezet handhaven van een rechtvaardige status voor God. Velen van hen waren waarschijnlijk net als Paulus, die beweerde dat hij als Farizeeër ‘volledig voldeed aan wat er in de wet over gerechtigheid staat.’ (Fil. 3:6). Farizeeërs gaven van alles hun tienden, zelfs van hun tuinkruiden (Mat. 23:23), ze vastten in plaats van eenmaal wel tweemaal per week (Mark. 2:18), enz. Zij namen hun relatie met God zo serieus, omdat zij geloofden dat de opstanding uit de dood een beloning was voor een rechtvaardig leven (Josephus, Joodse oorlog 2.163; Joodse Oudheid 18.14; Acts 23:8; Aboth of Rabbi Nathan 5A).[12]

Ricciotti merkt in zijn ‘Leven van Jezus’ op, dat het systeem van regels van de Farizeeën het gevaar liep van formalisme en een vergaande casuïstiek, doorspekt met spitsvondigheden maar leeg van geest.[13] Volgens Jezus was de verklaring van de Farizeeën soms zelfs regelrecht in strijd met de Wet. Zie bijvoorbeeld Math. 15:3 ‘En waarom overtreedt u het gebod van God, alleen om uw eigen traditie in stand te houden?’ (zie ook Markus 7:9-13). In de Farizeeën vond Jezus ook de felste tegenstanders van Zijn missie. De beschuldigen van Jezus aan hun adres in bijvoorbeeld Mattheüs 23 liegen er niet om. Kritiek op het gedrag van Farizeeërs was er overigens ook van binnenuit en van rabbijnen. Bij de meerderheid van het volk stonden de Farizeeërs echter in hoog aanzien.

Stromingen

Gewoonlijk wordt binnen deze groep Farizeeën onderscheid gemaakt tussen de school van Shammai (eerste eeuw v. Chr.) en die van Hillel (begin van onze jaartelling). De eerste discipline representeerde de meer conservatieve vleugel die een strikte uitleg van de Wet voorstond. De school van Hillel stond meer liberale opvattingen voor. Zo werd bijvoorbeeld naar aanleiding van Deuteronomium 24 een man toegelaten van zijn vrouw te scheiden om bijna elke reden, al was het om het aanbranden van het eten (volgens Mishna Gittin 9:10).[14] Hillel de Oudere was waarschijnlijk de grootvader van Gamaliël die wij kennen uit Handelingen 5:34-39 waar deze een gematigd standpunt innam ten aanzien van de apostelen. Gamaliël is ook de leermeester geweest van Paulus volgens Handelingen 23.[15] Soms neemt men de school van Gamaliël ook wel als een aparte stroming binnen het Farizeïsme. Hij heeft zorg gedragen voor een verbetering van de Joodse kalender ten behoeve van de Joodse feesten.[16]

Omdat de Sadduceeën na de verwoesting van de tempel in 70 na Chr. van het toneel verdwenen, is het overgeleverde godsdienstige Jodendom vooral dat van de Farizeeën, ook al zijn er nu minstens zoveel stromingen als in de dagen van het Nieuwe Testament.

De Sadduceeën

De Sadduceeën, die een enkele keer wel in de synoptische Evangeliën voorkomen, ontbreken in Johannes. Komt dit door het bovenstaande gegeven, dat zij ten tijde van het schrijven van dit Evangelie al van het toneel verdwenen waren? Zij die uitgaan van een Johanneïsche school voor het (mede)auteurschap zullen dat bevestigen. Maar als we bedenken dat de invloed van de Farizeeën onder de Joodse bevolking van Jezus’ dagen groot was, is het niet verwonderlijk dat de Sadduceeën in het Johannesevangelie ontbreken.

Aristocratie

De Sadduceeërs, waaronder de hogepriester Kajafas (18-36 na Chr.), behoorden tot de priesterklasse en de hogere stand onder de leken. Zij waren bezorgd om de officiële eredienst in de tempel. In de tijd van de Hasmoneeën onderhielden zij nauwe banden met het Hasmoneese koningshuis. Ook in de periode van de Herodianen onderhielden zij nauwe banden met de heersers over het Joodse land. Vrijwel alle hogepriesters uit deze periode waren afkomstig uit de belangrijkste families binnen de Sadduceeën. Over de priesterlijke voorschriften waakten zij streng. Politiek gezien waren ze behoudsgezind. Zij verstonden de kunst zich aan het Romeins gezag aan te passen. Ze beheersten nadrukkelijk het Joodse leven omdat zij de machtigste fractie waren in de Hoge Raad (het Sanhedrin). Tegelijk met de populariteit van de Farizeeën werden de Sadduceeën door het gewone volk eerder gehaat, juist vanwege hun aristocratie, machtspositie en verstandhouding met de overheersers.

Waar de Farizeeën zich konden beroepen op hun mondelinge traditie, maakten de Sadduceeën zich het niet gemakkelijk door alleen de geschreven Wet te erkennen. In zekere zin waren zij daarmee behoudend; ze gingen niet mee met de nieuwigheden van de Farizeeën die zij zagen als een afbreuk aan de oude, eenvoudige hebreeuwse geest. Daarmee ontweken de Sadduceeën enerzijds de ‘zware lasten’ die door de Farizeeën werden opgelegd; tegelijk hielden zij wel een deur open voor het hellenisme van de Grieks-Romeinse beschaving. De meerderheid van de bevolking had daarvan een afkeer; zij waren juist gehecht aan de traditie waaraan de Farizeeën hun mondelinge Wet ontleenden. Zo was er sprake van deze paradox: de Sadduceeën waren in theorie conservatief maar in de praktijk laks, terwijl de Farizeeën met hun vernieuwing in feite het oude conserveerden.[17]

Hun beperkte visie op de canon verklaart hun ongeloof in de opstanding der doden; deze wordt niet expliciet genoemd in de vijf boeken van Mozes. Overigens heeft Jezus juist met een beroep op de Tora (Exodus 3:6) aangetoond, dat ook daaruit de opstanding blijkt, zij het impliciet (Mark. 12:18-27). Misschien op grond van dezelfde reden benadrukten de Sadduceeën het belang van de menselijke verantwoordelijkheid. Deze komt in de Wet van Mozes immers nadrukkelijk naar voren.[18] Ricciotti schrijft samenvattend over de Sadduceeën: ‘Zij leken in wijsgerig opzicht op de Epicuristen en in theologisch opzicht op de Pelagianen.’[19]

De Essenen

Een groot aantal chasīdīm trokken zich na de bevestiging van het hogepriesterschap van de Hasmoneeën door het Sanhedrin (140 v.Chr.) steeds meer uit het openbare leven terug. De naam van deze chasīdīm werd naderhand via een vergrieksing van de aramese vorm verbasterd tot ‘essenen’. Een groot deel van hen zonderde zich omstreeks 130 v.Chr. af in de woestijn van Judea om daar in min of meer geïsoleerde, kloosterachtige gemeenschappen het verbond met Jahweh te bewaren. Volgens Flavius Josephus telden ze ten tijde van het Nieuwe Testament zo’n 4000 aanhangers. Hiertoe behoorde onder meer de gemeenschap van Qumran, die de geschriften vervaardigde, verzamelde en bewaarde die later bekend geworden zijn als de ‘Dode-Zee-rollen’.

Levensstijl

De levensstijl van de Essenen komt ons bekend voor van het leven van de eerste christengemeente uit Handelingen 2. Ze deelden hun goederen, inclusief voedsel en kleding. Ze droegen zorg voor de zwakken onder hen zoals de ouderen. Ze koesterden een streng reinheidsideaal met dagelijkse rituele wassingen. Ze beschouwden het priesterschap van hun dagen als onwettig, omdat het niet afstamde uit de lijn van Zadok. Waar de Farizeeën ook anderen dan priesters – met name Schriftgeleerden en rabbi’s – bevoegd achtten de Tōrā uit te leggen, behielden Essenen dit voorrecht aan de priesters. De vraag wie hogepriester mocht zijn, was voor de Essenen een cruciale kwestie.

Veel Essenen trouwden niet; voor hun aanwas waren ze dus afhankelijk van bekeerlingen. Een bekeerling kon zich voor de periode van een jaar bij hen aansluiten en vervolgens kiezen voor de waterdoop.

Essenen zagen zichzelf als het trouwe deel van Israël, een uitverkoren klasse, voor wie de beloften van God vervuld zouden worden. Ze geloofden sterk in de almacht van God en hadden een minder positief mensbeeld dan bijvoorbeeld de Sadduceeën. De zgn. ‘Leraar der gerechtigheid’, een Messiaanse figuur, speelde in hun denken en geschriften een belangrijke rol. Sommige bronnen spreken van de verwachting van twee messiassen; een politieke en een priesterlijke[20], waarbij de laatste als de belangrijkste werd gezien. Ondanks de verschillen tussen de Farizeeën en de Essenen waren het in feite loten van dezelfde stam en leefde de spiritualiteit van de chasīdīm in beide groeperingen voort.[21]

Zeloten

De Zeloten worden wel als een aparte stroming gezien, maar misschien is het beter om ze als een vertakking van de Farizeeën te zien zoals G. Ricciotti doet.[22] Ze vormden volgens hem geen vierde richting naast de Sadduceeën, Farizeeën en Essenen zoals Flavius Josephus hen indeelt, maar ze bestonden in hoofdzaak uit Farizeeën. Het verschil met hen is dat de Zeloten de Farizese beginselen toepasten op alle gebieden van het leven, ook op het gebied van de politiek. De naam ‘Zeloten’ verwijst naar hun grondbeginsel; ‘zeloot’ betekent ‘ijveraar’ en ze staan dan ook voor een ‘ijverige’ toepassing van de nationaal godsdienstige Wet. Hierin is een verwijzing te horen naar hun vermoede oorsprong; de Makkabeese opstand (167 – 164 v. Christus). Toen was het Mattatias, de vader der Makkabeeën, die op zijn sterfbed tegen zijn zonen zei: “Mijn zonen, toon jullie toewijding aan de wet en wees bereid je leven te geven voor het verbond van onze voorouders.” (1 Mak. 2:50).

De Makkabeeën

De opstand tegen de Seleuciden was een gevolg van de ontwijding van de Joodse tempel. Antiochus lV Epiphanes liet er het altaar van Baäl Hasjamaïm (het Syrische equivalent van Zeus) zetten. De Seleucidische Grieken offerden er zelfs een varken, een onrein dier voor de Joden. De vijf zonen van Mattatias blijken inderdaad bereid om hun leven te geven voor de nationaal-godsdienstige zaak. Drie jaar na het begin van de opstand veroverde Judas de Makkabeeër de tempel op de Seleucidische troepen en wijdde deze opnieuw. Dit wordt door Joden nog jaarlijks herdacht met het Chanoeka-feest. In het vervolg van de opstand sneuvelen Judas en drie van zijn broers. Onder Simon de Makkabeeër, de enige in leven gebleven Makkabeese broer, ontstond een zelfstandige Joodse staat, waarvan Simon de eerste vorst was. Toen Simon stierf, werd hij opgevolgd door zijn zoon Johannes Hyrcanus. Daarmee werd de Hasmoneese dynastie gevestigd. Voor het eerst na de Babylonische ballingschap was er weer sprake van een zelfstandige Joodse staat. Overigens verzetten godsdienstige Joden zich in toenemende mate tegen de Hasmoneese heerschappij. Deze nam steeds meer de hellenistische cultuur over, iets waar de Makkabeeën zich juist tegen verzet hadden. Bovendien eigende de familie van de Hasmoneeën zich het hogepriesterschap toe. Omdat zij geen afstammelingen waren van het hogepriesterlijk geslacht, hadden veel Wetsgetrouwe Joden hier moeite mee. Het vormde vermoedelijk de aanleiding voor het ontstaan van de Farizeeën en de Essenen.[23] Het boek I Makkabeeën lijkt geschreven te zijn met de bedoeling de binnenlandse oppositie te overtuigen van de rechtmatigheid van de Hasmoneese heerschappij.[24]

Judas de Galileeër

De Zeloten nu vatten het program van de vader der Makkabeeën volledig op: ze wilden op ieder gebied, juist ook op dat van de politiek, ‘integrale Farizeeën’ zijn.[25] Dat maakte hen tot een radicale groep die er guerrilla-achtige praktijken op na hield en uiteindelijk een belangrijke rol speelde in de Joodse Opstand van 66-70 na Christus.[26] Als directe aanleiding voor hun ontstaan wordt in oudere literatuur doorgaans verwezen naar de opstand van Judas de Galileeër. Hij verzette zich rond het begin van onze jaartelling tegen de registratie onder Sulpicius Quirinius. Hij en anderen met hem zagen in deze registratie het tastbare bewijs van de onderwerping aan onreine vreemdelingen.[27] Bovendien had men moeite met de Romeinse munten die, voorzien van beelden van Romeinse godheiden of het portret van Augustus, gezien werden als onverenigbaar met het Joodse monotheïsme.[28] De consequentie daarvan was, dat zij weigerden om belasting te betalen.

De meeste Joden onderwierpen zich echter wel aan deze regel en een algemene opstand bleef dan ook uit. Wel was Judas actie bekend genoeg om zo’n 30 jaar later nog genoemd te worden door de Farizeeër Gamaliël (Hand. 5:37). Na het neerslaan van deze opstand door de Romeinen namen de Zeloten hun toevlucht tot de guerrillatactiek. De meest extremen onder hen waren de zgn. Sicariërs, die met een dolk (Lat. sica) aanslagen pleegden op hooggeplaatste Joden die goede contacten onderhielden met de Romeinse bezetter.
Overigens neemt het verzet van de Joden pas tegen het einde van de jaren 40 een georganiseerde vorm aan.[29] Of Judas de stichter van de groep Zeloten genoemd kan worden, wordt de laatste decennia in toenemende mate betwijfeld.[30] Flavius Josephus gebruikt de term ‘Zeloten’ alleen om de groep aan te duiden die in 66 n. Chr. deelnaam aan de opstand tegen Rome.[31]

 


[1] Watt, J. van der, An Introduction to the Johannine Gospel and Letters, London, T&T Clark, 2007, p.140-141

[2] Watt, J. van der, An Introduction to the Johannine Gospel and Letters, p.141

[3] http://www.jcplooy.nl/jezus/nazoreeen.html, geraadpleegd op 4 dec. 10

[6] Studiebijbel in Perspectief, (Uitgeverij Jongbloed, Heerenveen, 2009), p.1378

[7] Ricciotti, G., Leven van Jesus, p.61

[8] Ricciotti, G., Leven van Jesus (Utrecht/Antwerpen; uitgeverij Het Spectrum, 1955) p.62

[9] Ricciotti, G., Leven van Jesus, p.57

[10] ESV Study Bible, (Wheaton, Illinois, Crossway Bibles, 2008) p.1799-1800

[11] Studiebijbel in Perspectief, p.1378

[12] ESV Study Bible, (Wheaton, Illinois, Crossway Bibles, 2008) p.1799-1800

[13] Ricciotti, G., Leven van Jesus, p.57

[15] Zwiep, A.W., Reader ‘Hermeneutiek’ van de CHE, 2008/2009, p.19

[16] ESV Study Bible, (Wheaton, Illinois, Crossway Bibles, 2008) p.1799-1800

[17] Ricciotti, G., Leven van Jesus, p.54

[18] ESV Study Bible, (Wheaton, Illinois, Crossway Bibles, 2008) p.1799-1800

[19] Ricciotti, G., Leven van Jesus, p.56

[20] Studiebijbel in Perspectief, p.1378

[22] Ricciotti, G., Leven van Jesus (Utrecht/Antwerpen; uitgeverij Het Spectrum, 1955) p.63

[25] Ricciotti, G., Leven van Jesus, p.64

[26] http://nl.wikipedia.org/wiki/Zeloten, geraadpleegd op 4 dec. 10

[27] Ricciotti, G., Leven van Jesus, p.64

[29] Studiebijbel in Perspectief, (Uitgeverij Jongbloed, Heerenveen, 2009), p.1378

[31] Studiebijbel in Perspectief, p.1378

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s